Installaties

Verwarming
Algemeen
Het rendement van verwarmingsapparatuur is de laatste decennia enorm toegenomen. Bij gasgestookte systemen raken de rookgassen zover afgekoeld dat de daarin aanwezige waterdamp condenseert. Dat geeft een extra boost aan het rendement.
Als gevolg hiervan is de natuurlijke thermische trek te klein geworden om met een traditionele rookgasafvoer te kunnen werken. Daarom zijn de toestellen tegenwoordig gesloten en wordt er rookgasventilatie toegepast. Een groot voordeel hiervan is dat er geen luchttoevoer vanuit de woning naar het verwarmingstoestel nodig is, wat de kans op tocht aanmerkelijk reduceert en ongecontroleerde ventilatie voorkomt.
Het rendement van een installatie kan verder worden vergroot door de te bereiken watertemperatuur laag te houden.
Lage temperatuurverwarming (LT) kan het gemakkelijkst worden toegepast in (zeer) goed geïsoleerde woningen. Combinaties met vloer- en wandverwarming zijn ideaal. In minder goed geïsoleerde woningen zouden de radiatoren en/of convectoren groter moeten worden.
Om een installatie snel te laten reageren is het gewenst om de waterinhoud te beperken. Dat wordt bereikt door de toepassing van dunne leidingen en radiatoren met beperkte inhoud. Natuurlijke circulatie, zoals vroeger gebruikelijk was, is dan niet toepasbaar en het warme water wordt elektrisch rondgepompt.
De warmteafgifte wordt bevorderd door de toepassing van extra ribben op de verwarmingselementen. Het aandeel convectiewarmte neemt dan toe ten koste van het aandeel stralingswarmte. Dat is voor de warmteafgifte wellicht ideaal, het veroorzaakt echter ook meer luchtstroming wat voor het comfort minder aantrekkelijk is: de warmte is minder direct voelbaar en er vindt meer stofcirculatie plaats.
Een groot aandeel stralingswarmte (vloer- en wandverwarming en radiatoren i.p.v. convectoren) maakt een installatie efficiënter omdat de luchttemperatuur bij gelijk comfort lager kan blijven. De lucht wordt dan minder droog en de warmteverliezen door ventilatie worden kleiner.
De apparatuur voor het verwarmen van de woning kan ook worden ingezet voor de productie van warm tapwater. In de volgende beschrijving lopen deze zaken door elkaar.

CV-apparatuur
Sinds de ontdekking van de gasbel onder Nederland is een groot deel van onze woningen voorzien van een CV-ketel. De zogenaamde combiketel levert zowel warm water voor de verwarming als warm tapwater voor bad en douche. Verreweg de meeste woningen met een CV hebben een Hoge Temperatuur verwarming nodig (70 tot 90 graden) om het energieverlies door vloer, dak en gevel snel te compenseren. Bij deze woningen wordt vaak nachtverlaging toegepast (15 graden) om onnodig energieverlies te voorkomen. Voor het snel opwarmen van een dergelijke woning is relatief veel ketelvermogen nodig dat door de radiatoren/convectoren aan de woning wordt afgegeven.
Voor tapwater is 45 graden voldoende. Om het risico op legionellabesmetting te minimaliseren wordt een temperatuur van minimaal 60° aangehouden.
Een standaard ketel met een CW-waarde 3 levert ca. 6 liter warm water van 60 graden per minuut. CW staat hierbij voor Comfort Warmwater, waarden tussen 1 (laag) en 6 (hoog).